Barokopera in Engeland

De patenten en de strijd om de macht

English

Reeds voor de terugkeer van Charles Stuart en de restauratie van het koningschap, nog tijdens de interim-regering van generaal Monck, waren er alweer diverse toneelgroepen in Londen actief.
De grootsten waren die van Michael Mohun, met merendeels ervaren spelers uit het Red Bull theater, die van John Rhodes, met relatief jonge spelers uit de Cockpit in Drury Lane (onder wie Thomas Betterton) en die van William Beeston in Salisbury Court. Het toezicht was in handen van Sir Henry Herbert, Master of the Revels o.a. belast met de censuur en ordehandhaving in de theaters, die daarvoor werd betaald door de toneelgroepen. Die functie bekleedde hij al sinds 1623 en Charles bevestigde binnen een maand na zijn terugkeer dat hij die funktie zou behouden.

Thomas Killigrew
William Sheppard, olieverfschilderij, 1650:
portret van Thomas Killigrew.
Londen, National Portrait Gallery, NPG 3795

Twee nieuwe gezelschappen

Op 9 juli 1660 gaf Charles II opdracht aan de Attorney General (zoiets als bij ons de landsadvocaat) om een besluit voor te bereiden waarbij aan Thomas Killigrew, een hoveling, het erfelijk privilege ( patent) zou worden verleend om een theatergezelschap op te richten, genaamd The King’s Company en daarmee voorstellingen te geven in een door hem te bouwen theater in Londen of Westminster.1 Tevens werd bepaald dat een tweede theatergezelschap zou worden gevormd, The Duke’s Company,2 onder leiding van William Davenant, ook houder van een erfelijk patent, dat hem al in 1639 door Charles I was verleend. Davenant was eveneens een hoveling, maar vooral theatermanager, toneelschrijver en dichter.
Alle andere gezelschappen werden uitgesloten.

Naast de patenten, verleende Charles op 22 oktober 1660 ook nog een licentie aan Giulio Gentileschi, waarbij deze voor een periode van vijf jaar het alleenrecht kreeg om een theater te bouwen en een groep Italiaanse musici naar Engeland te halen om daar opera’s uit te voeren.3 Van dat project werd niets meer gehoord; het plan kwam een halve eeuw te vroeg.

Davenant was zich ervan bewust dat zijn patent uit 1639 achterhaald was.4 en schreef zelf het concept voor een nieuw koninklijk besluit, waarin de beide theatergezelschappen op gelijke wijze zouden worden gemachtigd.
Protest was er uiteraard van de bestaande groepen, die werden getroffen.

Sir Henry Herbert
(Toegeschreven aan) William Dobson, olieverfschilderij, 1639:
portret van Sir Henry Herbert.
National Trust, Powis Castle, 1180929

De toezichthouder

Felle tegenstand was er ook van de zijde van Herbert, die aantasting van zijn autoriteit en verlies van een bron van inkomsten vreesde. Hij richtte een petitie tot de koning, maar desondanks werd op 21 augustus 1660 de voorlopige goedkeuring verleend, gebaseerd op Davenants concept. Herbert spande een proces aan, na zich te hebben verzekerd van erkenning van zijn gezag, door de grootsten van de al bestaande groepen. Het bracht de spelers van die groepen in een moeilijke positie. Herbert was hun enige hoop op behoud van hun relatieve vrijheid van vroeger, maar trouw aan Herbert zou hun toekomstige werkgelegenheid ook in gevaar kunnen brengen, want de trend was duidelijk: wie in het theater wilde blijven werken, was alleen veilig bij de patent gezelschappen. Killigrew en Davenant zetten ook alles op alles om te voorkomen dat nieuwe groepen in Londen zouden ontstaan en met succes.5

Sir William Davenant
William Henry Worthington, ets / gravure naar John Greenhill, 1824:
portret van Sir William Davenant.
Londen, British Museum, 1850,1014.315

Tot definitieve goedkeuring kwam het in dat jaar niet, mogelijk omdat Davenant het conflict met Herbert niet op de spits wilde drijven. De uitgesloten gezelschappen bleven spelen en Herbert bleef zich met alle groepen bemoeien. Pas op 25 april 1662 werd het patent van Killigrew met het grootzegel van het koninkrijk bevestigd,6 op 15 januari 1663 gevolgd door dat van Davenant.7 Dankzij toegevoegde clausules werden zij zelf belast met het bepalen van wat wel en niet gepast zou zijn.8 Dat weerhield Herbert er niet van om hen te blijven achtervolgen met processen. Killigrew sloot op 4 juni 1662 een afzonderlijke vrede met Herbert en zegde hem steun toe bij zijn worsteling met Davenant en ook bij zijn pogingen om het Office of the Revels in zijn macht te herstellen (Killigrew zou zelf Herberts opvolger worden).9 Davenant gaf later ook toe aan de wensen van Herbert, maar intussen was een boodschapper van Herbert wel mishandeld en twee uur lang opgesloten door een groep acteurs, toen hij een bezoek bracht aan Davenants theater in Lincoln’s Inn Fields. De acteurs werden daarvoor op 4 juli 1662 elk veroordeeld tot een boete van drie shilling en vier pennies.
Killigrews gezelschap speelde aanvankelijk in Gibbons tennis court, eveneens in Lincoln’s Inn Fields, maar opende op 7 mei 1663 zijn nieuwe theater op een terrein gelegen tussen Bridges Street en Drury Lane.
Het Londense theater was voorlopig stevig in handen van twee hovelingen, deels onder toezicht van een derde hoveling en onder bescherming van de koning. De voortvarendheid waarmee Charles II zijn greep op het publieke theater had gevestigd, toonde dat hij tijdens zijn verblijf op het continent had geleerd dat theater veel meer kon zijn dan alleen maar een kostbaar vermaak voor het hof. Wonderen zoals die in de theaters van Parijs en Versailles waren te zien, zouden ook zijn eigen koningschap kunnen ondersteunen.

Het patent als handelswaar

Door het monopolie werden de erfelijke patenten een waardevol bezit. Ze maakten deel uit van nalatenschappen en werden beleend of verhandeld. Thomas Killigrew bracht zijn aandelen onder in een fonds, ten gunste van hemzelf en beheerd door zijn schoonzus Lady Sayer10 en haar echtgenoot Sir John Sayer.

Op 25 januari 1672 volgde een zware tegenslag: het theater in Bridges Street brandde af. Dat had uiteraard ook financiële gevolgen.
Thomas Killigrew leende geld, o.a. van zijn stiefzoon Richard Kent, en gaf daarvoor zijn aandelen in onderpand. De inkomsten uit die aandelen zouden dienen voor rente en aflossing op de schulden, maar die inkomsten bleven uit en de schuld liep op tot 2350 pond, een bedrag vergelijkbaar met de bouwkosten van het afgebrande theater.

Het gezelschap dreigde uiteen te vallen. Om dat te voorkomen, stelde Thomas aan zijn zoon Charles voor om als bemiddelaar op te treden en nieuwe overeenkomsten met de spelers aan te gaan. Om hem te bewegen deze taak op zich te nemen, beloofde hij het patent en al zijn rechten in de onderneming aan Charles over te dragen (hoewel het er niet naar uitzag dat hij daarover binnen afzienbare tijd weer zou kunnen beschikken). Charles stemde toch toe en wist op 1 mei 1676 tot een nieuwe overeenkomst met de spelers te komen.11 Toen die eenmaal was getekend, kon Thomas zijn toezeggingen niet nakomen.12

De gemoederen raakten zo verhit dat de Lord Chamberlain op 9 september 1676 het beheer in handen van een commissie van vier acteurs legde, van wie uiteindelijk alleen Richard Hart zou overblijven.
Charles had inmiddels een aanklacht ingediend tegen zijn vader, maar voordat de zaak voorkwam had Thomas al toegegeven: hij droeg alles over aan Charles, inclusief de positie van Master of the Revels, die hij had bekleed sinds Herberts dood in 1673.

Charles Killigrew was nu de baas, maar de winst ging naar Richard Kent, de schuldeiser van zijn vader. De spelers waren zo ontevreden over het bewind van Charles, dat zij in de zomer van 1677 verzochten om zelfbestuur. Koning Charles II ging daarmee akkoord.

Op 23 februari 1681 spande Richard samen met mede-belanghebbenden een proces aan tegen Charles. Die zou een patent hebben verkocht waarop al aanspraken rustten en hen een winstuitkering hebben onthouden. Op 14 december 1682 werd Richard door de rechter in het gelijk gesteld. Thomas en Charles raakten zo al hun belangen in het theater kwijt. Thomas Killigrew overleed drie maanden later, op 19 maart 1683. Het grootste deel van zijn nalatenschap ging naar Henry, zijn oudste zoon, die in mei 1683 een zaak aanspande tegen Richard, Charles en de weduwe Sayer. Hij stelde dat Thomas hem bij zijn overlijden geld schuldig was en dat hij daarom aanspraak kon maken op het patent en andere theaterbelangen. Hij beschuldigde zijn halfbroers Richard en Charles ervan te hebben samengespannen met Lady Sayer om hem zijn rechten te ontnemen. Bij de voortzetting van de zaak op 24 mei verklaarde Richard Kent dat er een uit augustus 1682 stammende afspraak bestond, om het patent aan Charles terug te verkopen. Het vonnis in die zaak is niet bekend, maar toen Charles overleed in 1724, was hij in het bezit van het patent.13

De King’s Company raakte door zwak bestuur nog dieper in financiële problemen. In mei 1682, gingen de twee gezelschappen samen verder onder de naam United Company. Die ontleende zijn rechten aan het patent van Davenant en speelde in zowel Dorset Garden als Drury Lane. Tot 1695 zou dat het enige theatergezelschap in Londen zijn. Killigrews patent werd voorlopig niet benut, maar bleef wel onverminderd geldig.

Sir William Davenant overleed in 1668 zonder testament. Zijn nalatenschap werd een paar jaar beheerd door zijn weduwe totdat zijn zoon Charles meerderjarig werd. Die kwam op dat moment in bezit van vier vijfde van de aandelen van de Duke’s Company en droeg een half aandeel over aan zijn moeder, die dat in 1682 verkocht aan de hoveling Sir Thomas Skipwith jr.14

Op 30 augustus 1687 verkocht Charles Davenant de rest van zijn belang in de onderneming, inclusief het patent, aan zijn broer Alexander, die de aankoop voor vijf zesde financierde met geld van Sir Thomas Skipwith. Twee weken later kwamen Skipwith en Alexander overeen dat Alexander de rechten van dit vijf-zesde belang voor zeven jaar aan Skipwith zou verhuren, in ruil voor bepaalde toegangsprivileges en een wekelijkse huur van zes pond. In 1690 besloot Alexander om het door hemzelf gefinancierde één-zesde deel te verkopen aan Christopher Rich, een jurist die zijn carrière was begonnen bij de advocaat Thomas Skipwith sr, 15 in dienst trad van diens zoon Thomas jr. en later als diens partner betrokken was geweest bij het ontwikkelen van projecten. Rich sloot met Alexander een soortgelijke huurovereenkomst als Skipwith had gedaan. Beide overeenkomsten bevatten een bepaling dat Alexander zijn eigendom terug zou kunnen kopen tegen betaling van 2000 pond aan Skipwith en 300 aan Rich.

Alexander, die zich op overtuigende wijze voordeed als succesvol zakenman, maar intussen veel geld verloor met niet zo succesvolle speculaties, trachtte zijn problemen op te lossen door goederen tweemaal te verkopen en zaken waarvan hij niet de eigenaar was te belenen tot hun maximale waarde. Na ontdekking van zijn financieel wangedrag in het najaar van 1693, vluchtte hij naar de Canarische Eilanden. Van hem werd niets meer vernomen.16

De coup

In december 1693 legden Skipwith en Rich, die inmiddels een jaar lang geen huur van Alexander hadden ontvangen, beslag en kwamen zo in het bezit van Davenants patent. Rich nam het beheer van de United Company en de theaters in Drury Lane en Dorset Garden in handen.17 Dat leek een aantrekkelijk bezit na de serie van drie zeer succesvolle semi-opera’s in de jaren 1690-93. Hij moest dat beheer weliswaar delen met Charles Killigrew, maar aangezien het samengaan van de twee gezelschappen in 1682 in feite was neergekomen op een overname van de King’s Company, was diens invloed niet zo groot.

Thomas Betterton
Olieverfschilderij door Sir Godfrey Kneller, ca. 1690:
portret van Thomas Betterton.
Londen, National Portrait Gallery, NPG 752

Het autoritaire gedrag van Rich leidde er toe dat Betterton met de oudere, ervaren spelers vertrok naar Lincoln’s Inn Fields en op 25 maart 1695 een eigen licentie kreeg. Vanaf dat moment was het monopolie van de United Company ten einde en waren er weer twee theatergezelschappen actief in Londen.18

Toen in november 1701 de erfpacht van Drury Lane afliep, probeerde Charles Killigrew om, met hulp van andere aandeelhouders in het Killigrew patent, van Rich af te komen.

Betterton bood de aandeelhouders vijf pond per dag als Rich kon worden weggewerkt (de pacht die Rich betaalde, bedroeg drie pond per dag).19

Rich wist echter sommige aandeelhouders over te halen om niet te tekenen en het plan ging niet door.
Om zijn belangrijkste spelers te behouden had Rich hun salarissen moeten verhogen, maar intussen betaalde hij geen pacht meer aan de investeerders in het Dorset Garden theater en geen dividend meer aan zijn aandeelhouders. In mei 1704 werden Rich en zijn partners Skipwith en Davenant door Sir Edward Smith en een groepje aandeelhouders aangeklaagd wegens fraude. 20

Een nieuw theater, een nieuwe licentie

John Vanbrugh, prominent lid van de liberale “Whig” partij, (liberaal in vergelijking met de “Tories”) toneelschrijver en architect, liet een nieuw theater bouwen aan de Haymarket, met steun van medeleden van de Whig-gezinde Kit Kat Club. In ruil voor hun bijdrage zouden zij vrije toegang krijgen, maar ze waren dus geen aandeelhouders die een aandeel in de winst zouden kunnen opeisen. Het theater was eigendom van Vanbrugh. 21

Namens koningin Anne, de opvolgster van Willem III, werd op 14 december 1704 door de nieuwe Lord Chamberlain, Henry Grey, Hertog van Kent, een licentie verleend aan Vanbrugh en zijn partner, de toneelschrijver William Congreve, om een toneelgezelschap op te richten. Bettertons gezelschap stapte over van Lincoln’s Inn Fields naar de Haymarket, 22 zoals Vanbrugh voor ogen stond. Deze trachtte Rich te bewegen tot een samengaan van Drury Lane en de Haymarket, maar Rich hield liever vast aan zelfstandigheid op basis van zijn patent.

Sir John Vanbrugh
Sir Godfrey Kneller, olieverfschilderij, ca. 1705:
portret van Sir John Vanbrugh.
Londen, National Portrait Gallery, NPG 3231

De genres gescheiden

Inmiddels was de Italiaanse opera bezig populair te worden in Londen. Il Trionfo di Camilla was met groot succes opgevoerd in Drury Lane. Vanbrugh stelde nu een samengaan voor, waarbij de genres zouden worden gesplitst: muziektheater uitsluitend aan de Haymarket, theater zonder muziek uitsluitend in Drury Lane. Hij vond daarvoor steun bij de nieuwe Vice Chamberlain, Thomas Coke, een Tory hoveling, zelf ook een liefhebber van opera. Met ingang van het jaar 1708 was de splitsing een feit.

Rich, die door de verlening van een licentie aan Betterton in 1695 zijn monopolie was kwijtgeraakt, kreeg nu dus opnieuw een soort monopolie. Of hij tevreden was valt te betwijfelen: de succesvolle Camilla was hij kwijt, terwijl zijn patent hem uitdrukkelijk had gemachtigd tot alle soorten van vermaak, maar waarschijnlijk kwam hij eerder dan Vanbrugh tot het inzicht dat de kosten van opera uit de hand zouden gaan lopen.

Owen Swinny
18e-eeuws schilderij naar Peter van Bleeck, 1737:
portret van Owen Swiney (of Swinny).
Londen, National Portrait Gallery, NPG 1417

Italiaanse opera, de korte route naar bankroet

Vanbrugh hield het betalen van extreem hoge honoraria aan de Italiaanse zangers niet lang vol en verhuurde in augustus 1706 de hele onderneming, inclusief licentie, aan zijn assistent Owen Swiney.23 Zijn gelegenheidspartner Congreve had zich al tijdig teruggetrokken. Rich en Skipwith zagen aankomen dat Drury Lane aanzienlijke investeringen zou vereisen om de concurrentie met de Haymarket vol te houden.

Skipwith gaf in oktober 1707 zijn aandeel in het patent, dat hem tot dan toe naar zijn zeggen alleen maar rechtszaken had opgeleverd, aan kolonel Henry Brett, een parlementslid uit Gloucester.24 Die ging zich bemoeien met de gang van zaken in het theater, waar grote ontevredenheid heerste. De spelers, die door Rich financieel werden uitgeknepen, was ook niet ontgaan wat de Italiaanse zangers aan honoraria kregen.

De acteur-manager Colley Cibber kende Brett al langer en beschouwde hem als een vriend. De sfeer verbeterde. Brett kreeg het vertrouwen van de spelers, die hoopten op betere tijden. Dit tot ongenoegen van Rich. Om zich van Brett te ontdoen keerde Rich, voor het eerst in vele jaren, weer een klein dividend uit aan de aandeelhouders, om bij hen steun te verwerven voor zijn eigen positie. Dat had ook de gewenste uitwerking op Skipwith, die een proces aanspande tegen Brett en stelde dat hij het aandeel slechts in beheer had gegeven.25 Brett ontkende dit, maar de zaak werd niet voortgezet nadat Brett zich had teruggetrokken uit het bestuur, uit angst voor “imagoschade” (in 1711 zou Brett het aandeel alsnog overdragen aan de zoon van Sir Thomas Skipwith, nadat deze was overleden).

Colley Cibber
Sir Henry Cheere (?) beschilderd gips, ca.1740:
buste van Colley Cibber.
Londen, National Portrait Gallery, NPG 1045

De “Spring Rebellion”

In het voorjaar van 1709 ontstond een nieuw conflict tussen Rich en de spelers (de Spring Rebellion). De directe aanleiding was de nieuwe regeling rond de opbrengst van benefiet voorstellingen, die Brett had opgesteld en die in de praktijk vooral nadelig bleek voor de laagst betaalde spelers. Rich vond de tijd gekomen om zijn voordeel uit deze nieuwe regeling binnen te halen. Wie de nieuwe voorwaarden niet onderschreef, kwam niet meer in aanmerking voor een benefiet voorstelling. Rich werd gesommeerd om de regeling in te trekken en toen hij daaraan geen gehoor gaf, werd het theater in juni 1709 op last van de Lord Chamberlain gesloten. Op de achtergrond speelden de tegengestelde belangen tussen de verschillende betrokken groepen mee. Naast allerlei kwesties van onderlinge rivaliteit, ging het vooral om een machtsstrijd tussen de overheid en de patenthouders, die een weerspiegeling was van de veranderende sociale verhoudingen in de achttiende eeuw, toen het private ondernemerschap geleidelijk de rol van hof en adel ging overnemen. De politieke machtsstrijd werd steeds duidelijker. De Lord Chamberlain wilde zijn greep op de theaters versterken en de rebellie was een welkome aanleiding om Rich aan te pakken; een actie waarvan de juridische houdbaarheid niet zeker was. Omstreeks augustus stuurden de aandeelhouders een petitie aan Queen Anne, waarin zij vroegen om een officiëel onderzoek naar het bevel tot sluiting.

Beide genres weer samen aan de Haymarket

Swiney vormde intussen met een groep werkloze acteurs van Drury Lane een gezelschap waarmee hij in het theater aan de Haymarket weer toneelstukken wilde gaan opvoeren. Dat zou dus een inbreuk zijn op het monopolie op toneel zonder muziek, dat Rich in 1708 had verworven, maar men wist misschien, of rekende er op, dat Lord Chamberlain Kent dit zou toestaan. Dat gebeurde inderdaad, dus nu berustten beide monopolies de facto even bij Swiney. Op 11 augustus 1709 plaatste hij een oproep in de Daily Courant, gericht aan alle houders van aandelen in het Drury Lane theater om hem de eerstvolgende dinsdag te ontmoeten in Nando’s Coffee House, met de belofte dat hij hen een zeer aantrekkelijk voorstel zou doen. Zijn bedoeling was uiteraard om het theater in Drury Lane over te nemen, maar dat opzetje zou mislukken als gevolg van acties van Kent en William Collier26 later in dat jaar. In september deed Rich een poging om het theater zonder toestemming te heropenen, maar dat werd op het laatste moment verhinderd en het publiek werd naar huis gestuurd.

Collier grijpt de macht in Drury Lane

Na de mislukte heropening, was de toestand uitzichtloos voor allen die bij het theater in Drury Lane betrokken waren. De aandeelhouders richtten daarom op advies van William Collier een tweede petitie aan de koningin. In november vroeg Collier echter buiten medeweten van zijn collega-aandeelhouders een licentie aan om het theater in Drury Lane te gebruiken. Kent zag nu zijn kans schoon om Rich te wippen. Een licentie werd verleend aan Collier, op voorwaarde dat hij zijn eigen claim als aandeelhouder in het patent van Rich zou opgeven en Rich niet zou toestaan om zich nog met het theater in Drury Lane te bemoeien.

Op 5 november 1709, Guy Fawkes day,27 ging Collier met een een aantal acteurs en een groep soldaten naar het theater, liet een vuurtje voor de ingang stoken, de deur openbreken en het aanwezige personeel van Rich op straat zetten. Rich had zoiets zien aankomen en alles dat draagbaar was verwijderd, met als gevolg dat de spelers van Collier tijdens hun eerste opvoeringen geen kostuums hadden.

De overige aandeelhouders waren razend over het verraad van Collier en zonden opnieuw een petitie naar de koningin. Die beloofde de zaak te laten onderzoeken, maar de uitslag daarvan zou anderhalf jaar op zich laten wachten en tegen die tijd door de gebeurtenissen achterhaald zijn. Het was een beslissend moment in de machtsstrijd: de overheid was in staat gebleken de houder van een eeuwigdurend patent aan de kant te schuiven. De strijd was echter nog niet voorbij.

Aaron Hill
Ets door Hendrick Hulsbergh, 1709:
portret van Aaron Hill op 24-jarige leeftijd.
Londen, Victoria & Albert Museum, S.2066-2009

Nieuwe opstand in Drury Lane

Collier stelde de jonge dichter-schrijver Aaron Hill aan om leiding te geven in Drury Lane, een taak die daarvóór door een comité van zeven acteurs was verricht. Dat botste uiteraard en leidde in mei 1710 weer tot oproer toen Hill de zeven hun leidinggevende functie ontnam. Twee van hen accepteerden dat niet en werden door Hill geschorst. Ze trokken ze zich daar weinig van aan, Hill had geen enkel gezag meer. Er werd stevig gevochten temidden van de bezoekers. Collier beklaagde zich bij de Lord Chamberlain en die gaf bevel één van de spelers te ontslaan en de anderen te schorsen. De overgebleven acteurs weigerden echter te spelen onder Collier en Hill. Intussen had Rich zich weer toegang tot het theatergebouw verschaft, maar had nog steeds geen toestemming om te spelen. De zaak zat muurvast.

Opera en toneel opnieuw gescheiden

In overleg met Vice Chamberlain Coke werd een compromis bereikt, waarbij Collier het recht kreeg om twee dagen per week opera’s op te voeren in de Haymarket en daar dus onderhuurder werd van Swiney. Swiney werd partner in een nieuw toneelgezelschap onder leiding van de acteurs Wilks, Cibber en Doggett en mocht na bemiddeling van Collier het theater in Drury Lane huren. Daar openden zij op 20 november 1710. De genres waren weer gescheiden als voorheen. Rich had geen rol meer als manager, maar was wel nog steeds houder van een geldig patent. De overheid had haar macht getoond, maar had niet geprobeerd om het door Charles II verleende patent te herroepen.

Richard Steele
Sir Godfrey Kneller, olieverfschilderij, 1711:
portret van Sir Richard Steele.
Londen, National Portrait Gallery, NPG 3227

Tot de komst van Koning George I veranderde er niet veel. Alleen wisselden Collier en Swiney in april 1712 opnieuw van plaats, nadat in 1711 een conflict was ontstaan tussen Collier en Hill. Swiney kreeg daarbij toch weer het recht om aan de Haymarket ook toneelstukken op te voeren, want de financiële situatie daar was nijpend. Dat duurde echter niet lang: na een voorstelling van Teseo, op 14 januari 1713 deed Swiney een greep in de kas en ging er van door. 28 Korte tijd later vluchtte hij naar het vasteland om te ontkomen aan zijn schuldeisers.

Een nieuwe koning, een nieuw patent

De groep acteur-managers in Drury Lane nodigde in 1714 de essayist en toneel-schrijver Richard Steele, een Whig, uit om hun bestuur te komen versterken. Gezien zijn goede relaties, zowel in de theaterwereld als aan het hof, een voor de hand liggende keuze. Onder de nieuwe koning hadden de spelers in Drury Lane, die tot dan onder de door Queen Anne verleende licenties van Collier en van Swiney hadden gespeeld, een nieuwe licentie nodig. Steele was de aangewezen persoon om dat te regelen.

De licentie werd verleend op 18 oktober 1714, maar Steele was daarmee niet tevreden, omdat het theatergezelschap voor al zijn doen en laten afhankelijk bleef van de welwillendheid van de Lord Chamberlain. Hij stuurde daarom een petitie aan de koning, waarin hij deze verzocht hem een patent te verlenen. Dat werd verleend op 19 januari 1715.29 Steele splitste het patent op in vier gelijke delen en wees drie daarvan toe aan zijn medebestuurders Cibber, Wilks en Booth.

De geschiedenis herhaalt zich

De machtsstrijd was daarmee niet voorbij. De vorige Lord Chamberlain had al gezocht naar juridische mogelijkheden om de patenthouders toch weer onder zijn gezag te brengen en zijn opvolger, met ingang van 13 april 1717 de hertog van Newcastle, maakte er echt werk van. Hij ontbood Steele en zijn mede-patenthouders, bood ze een licentie aan en eiste dat ze het patent zouden opgeven. Dat weigerden ze. Newcastle vond een nieuwe invalshoek en zocht juridisch advies over de vraag of Steele het patent wel had mogen delen en zo niet, of dat geen consequenties moest hebben. Hij wachtte het antwoord niet af en kwam in december 1719 in actie, toen een gelegenheid zich voordeed. Newcastle achtte zich beledigd door een uitspraak van Cibber en eiste dat een rol die voor Cibber was bestemd zou worden gespeeld door een andere acteur, die hij zelf naar voren had geschoven. Cibber weigerde en Newcastle eiste daarop schorsing van Cibber voor enkele weken. Steele begreep dat deze actie in feite een aanval was op zijn eigen positie en vroeg de koning om bescherming. De volgende dag werd zijn eerdere licentie ingetrokken (dus niet het patent) en op 25 januari 1720 werd Drury Lane gesloten.

Een nieuwe licentie werd op 27 januari alleen aan Wilks, Cibber en Booth aangeboden, onder voorbehoud dat ze het gezag van de Lord Chamberlain zouden erkennen. Dat aanvaardden ze en de volgende dag werd Drury Lane heropend. Steele was buitenspel gezet. Hem was ongeveer hetzelfde overkomen dat Rich een decennium eerder had getroffen: hij had wel een patent, maar geen gezag meer.
Toen Sir Robert Walpole in het voorjaar van 1721 aantrad als Chancellor of the Exchequer, 30 vond hij daar steun en kreeg zijn functie terug.

Hij overleed in 1729. Zijn patent, dat na zijn dood nog drie jaar geldig was, liet hij na aan de actrice Anne Oldfield. Zijn financiële belang in het Drury Lane theater liet hij na aan zijn twee dochters. Nadat de jongste dochter was overleden, verkocht de oudste het belang voor een aanzienlijk bedrag. Dat zou zij echter nooit ontvangen, want de advocaat die haar zaken had moeten behartigen, ging ermee vandoor.

John Rich
Anoniem 18e-eeuw:
portret van John Rich.
Londen, Victoria & Albert Museum,
Harry R. Beard Collection, S.1112-2010

Een nieuw theater in Lincoln’s Inn Fields

Christopher Rich die de strijd niet had opgegeven, liet in Lincoln’s Inn Fields een nieuw Theatre Royal bouwen. Hij overleed echter kort voordat het in december 1714 door zijn zoon, John Rich, zou worden geopend. Die exploiteerde het theater, samen met zijn broer Christopher, op grond van het patent dat zij van hun vader hadden geërfd. John trad er zelf ook op met pantomimes, maar de concurrentie met de twee andere theaters in Londen was zwaar en faillissement dreigde. Toch wisten zij vol te houden tijdens de twintiger jaren en de kansen keerden toen zij in 1728 The Beggar’s Opera presenteerden, die een ongekend succes bleek en het tot tweeënzestig voorstellingen bracht.

De Royal Academy of Music

De Royal Academy die in 1719 werd opgericht, specifiek voor de opvoering van Italiaanse opera, kreeg van koning George een eigen patent. 31 Anders dan vorige patenten, was dit document tevens het statuut van de Academy. Het werd verleend voor een periode van eenentwintig jaar (toen een standaard periode voor ondernemingen), geldig voor heel Engeland en niet aan één individu, maar aan de oorspronkelijke inschrijvers, een gezelschap van achtenvijftig personen, onder wie zeven hertogen, dertien graven en drie burggraven. Daarbij werd bepaald dat de Lord Chamberlain zou fungeren als gouverneur met vetorecht, bijgestaan door vijftien tot twintig jaarlijks te kiezen directeuren. De Academy kreeg ook het recht om zelf haar toegangsprijzen vast te stellen.

Meer nieuwe theaters, met patent of zonder

Thomas Odell was van plan om een nieuw theater te laten bouwen in Goodman’s Fields, een volkswijk aan de oostzijde van de stad, en kreeg van de volgende koning, George II, een patentbrief (Letter of Patent).32 Odell zette in eerste instantie geen nieuw gebouw neer, maar verbouwde een bestaande werkplaats tot theater. Hij opende op 31 oktober 1729. Het project stuitte op veel bezwaren van de werkgevers die hun werkvolk liever niet zagen blootgesteld aan de zedelijke verwildering van het theater. Ook de kerk protesteerde. Het theater lag buiten de jurisdictie van de Londense stadsbestuurders, maar men deed een beroep op Koning George II en die greep in, buiten het reguliere toezicht om. Hij trok het verleende patent in. Het pas geopende theater moest in april 1730 alweer sluiten, maar Odell zocht juridisch advies en vocht het besluit aan. In mei opende hij opnieuw. 33 Hij beloofde het definitieve theater op een minder gevoelige plek te zullen bouwen, maar zover kwam het niet. Het protest ging onverminderd door. Odell droeg aan het begin van het seizoen 1731-32 de leiding van zijn theater over aan Henry Giffard, een ervaren acteur. Die trok zich minder aan van de protesten, vroeg ook geen patent of licentie aan, en stelde een inschrijving open voor het nieuwe theater. Dat werd gebouwd aan Ayliffe Street en op 2 oktober 1732 geopend.

The Beggar’s Opera had John Rich voldoende geld opgeleverd om een nieuw Theatre Royal in Covent Garden te laten bouwen, dat op 7 december 1732, slechts enkele weken na het theater in Goodman’s Fields, werd geopend.

Aan de Haymarket, schuin tegenover het King’s Theatre stond al sinds 1720 het “Little Theatre” dat aanvankelijk door buitenlandse groepen werd bespeeld, maar waar na 1728 ook opera voorstellingen plaatsvonden. Evenals Goodman’s Fields, had ook dit theater geen patent of licentie.

De Licensing Act van 1737

Vóór de Licensing Act werden, met name in de eerste decennia van de achttiende eeuw, de monopoliebepalingen niet altijd even streng gehandhaafd. Ze zouden echter blijven bestaan tot de invoering van de theaterwet van 1846. Op 24 juni 1737 werd de Licensing Act van kracht. Die stelde een koninklijk patent of een licentie van de Lord Chamberlain verplicht voor ieder theater. Alle nieuwe toevoegingen aan voorstellingen, zoals prologen en epilogen, moesten vooraf voor toestemming worden voorgelegd aan het bureau van de Lord Chamberlain. De aanvraag moest bovendien minstens twee weken voor de beoogde voorstelling binnen zijn.

De twee oorspronkelijke patenten uit 1662/3 zijn nog steeds geldig. Het huidige theater in Drury Lane ontleent zijn rechten aan het patent van Killigrew, die van het Royal Opera House, Covent Garden zijn gebaseerd op het patent van Davenant.


Noten

1. Judith Milhous en Robert D. Hume, A Register of English Theatrical Documents, 1660-1737, deel 1, #7. (Uittreksel in Leslie Hotson, The Commonwealth and Restoration Stage, p.400).

2. Genoemd naar James, hertog van York, broer van koning Charles II.

3. “opere musicale, con machine mutationi di scene et altre apparenze” volgens het in het Italiaans gestelde document, SP 29/19, no.16. Facsimile afgedrukt in: Philip H. Highfill Jr. et al., A Biographical Dictionary of Actors, Actresses, Musicians, Dancers, Managers & other Stage Personnel in London, 1660-1800, deel 6, p.136.

4. Freehafer, John, “Brome, Suckling, and Davenant’s Theatre Project of 1639”, Texas Studies in Literature and Language, jaargang 10, nr. 3 (1928, Fall), pp.367-83. Davenant had op 26 maart 1639 een voorlopig patent van koning Charles I weten te krijgen om in Fleet Street, nabij Salisbury Court, een theater te bouwen. De bewoording van het patent duidt er op dat het ging om een - voor die tijd - groot theater dat geschikt zou zijn voor het toepassen van verwisselbare decors zoals die al werden gebruikt in het hoftheater. Davenant had in het jaar daarvoor met Inigo Jones gewerkt aan de opvoering van Sir John Sucklings Aglaura, waarbij deze nieuwe wijze van ensceneren voor het eerst was toegepast in een publiek theater (Blackfriars).
Er kwamen bezwaren zowel van de managers van de nabije theaters als van toneelschrijver Brome, die sterk gekant was tegen de dominante rol die het toneelbeeld speelde in het hoftheater. (Brome, wiens kritiek veel dieper ging dan alleen kwesties van enscenering, beschuldigde Davenant ervan de invloed van het hof op het publieke theater te willen vergroten, waarmee de kwestie aan de vooravond van de burgeroorlog ook nog een politiek aspect kreeg.)
Davenants tegenstanders hadden genoeg invloedrijke personen achter zich om hem de voet dwars te kunnen zetten. Toen uiteindelijk het grootzegel Davenants patent op 2 oktober 1639 definitief maakte, moest deze ook een document tekenen waarin hij verklaarde dat de voorgenomen bouwplaats ongeschikt was en beloofde een andere bouwplaats alleen te zullen kiezen na goedkeuring vooraf door de koning. De volledige tekst van deze “indenture” is afgedrukt in Joseph Q. Adams, Shakespearean Playhouses, Boston, 1917. Voor een link naar een transcriptie zie bibliogafie).
Davenant gaf zijn plan niet op. Twintig jaar later, toen er zicht was op rustiger tijden, in maart 1660, nog vóór de terugkeer van Charles, huurde hij een kaatsbaan in Lincoln’s Inn Fields, Lisle’s tennis court, om deze te verbouwen tot theater.

5. Inclusief die van George Jolly, die in december 1660 van koning Charles alsnog een licentie wist te verkrijgen om een theater te openen. Voor de wijze waarop Killigrew en Davenant hem vervolgens die licentie weer wisten te ontfutselen, zie Hotson, p.167ff en Highfill, deel 4, p.185 en deel 9, p.12.

6. Percy Fitzgerald, A New History of the English Stage, pp.77-80.

7. Ibid. pp. 73-77.

8. Die toevoegingen hielden o.a. in dat de gepatenteerde gezelschappen zelf verantwoordelijk zouden zijn voor het voorkomen van aanstootgevende uitingen, zouden toezien op goed gedrag van de spelers en op het spelen van vrouwenrollen alleen door vrouwen. Ook werd een bepaling opgenomen die spelers verbood om zonder toestemming van hun werkgever naar het andere gezelschap over te lopen.

9. British Library Add.MS 19,256, fol.66. Zie ook: Hotson, p.248 en Highfill, deel 9, p.12.

10. Katherine van Hesse-Piers, zuster van Charlotte, de Nederlandse tweede vrouw van Thomas Killigrew.

11. Milhous en Hume, A Register..., deel 1, # 969.

12. Hotson, p.260.

13. Hotson, pp.266-7.

14. Hotson, p.284. (De koop werd gesloten ruim een maand voor de officiële fusie tussen beide theatergroepen. Skipwith zag kennelijk een kans op winst.)

15. Highfill et al., deel 12, p.325.

16. Highfill et al., deel 4, pp. 162-4.

17. Highfill et al., deel 12, pp.326ff.

18. Hotson, p.293.

19. Highfill et al., deel 12, p.329.

20. Milhous en Hume, A Register..., deel 1, p.381, #1772.

21. Judith Milhous, Thomas Betterton and the Management of Lincoln’s Inn Fields, p.190.

22. John Downes, Roscius Anglicanus, red. Montague Summers, pp.47-8: “Mr.Betterton Assign’d his License, and his whole Company over to Captain Vantbrugg to Act under HIS, at the Theatre in the Hay Market.” (voor wat betreft de licentie was dat dus alleen een symbolische gebeurtenis.)

23. Highfill et al., deel 14, p.349.

24. Hotson, p.311, voetnoot 21.

25. Colley Cibber, An Apology for the Life of Mr. Colley Cibber written by Himself. red. Robert W. Lowe, deel 2, pp.58-9.

26. William Collier, advocaat en Tory-parlementslid. Niet te verwarren met Jeremy Collier die in 1698 een pamflet had laten drukken met de titel A Short View of the Immorality and Profaneness of the English Stage;

27. De feestelijke herdenking van de verijdeling op 5 november 1605 van een katholiek complot om met behulp van buskruit het parlementsgebouw op te blazen. Tijdens de herdenking worden stropoppen verbrand, die Guy Fawkes moeten voorstellen, de aanvoerder van de samenzweerders.

28. Colman’s Opera Register, Stanford Universiteit, transcriptie, p.20 (verso); voor een link naar de Stanford website, zie bibliografie: “after these Two nights Mr. Swiny Brakes & runs away & leaves ye Singers unpaid ye Scenes & Habits also unpaid for. The Singers were in Some confusion but at last concluded to go on with ye operas on their own accounts & divide ye Gain amongst them.”

29. Voor deze episode, inclusief de volledige tekst van het patent zie: Highfill et al., deel 14, p.248-250.

30. Vergelijkbaar met onze minister van financiën.

31. Volledige tekst in Milhous en Hume, “The Charter for the Royal Academy of Music”, Music & Letters, deel 67, nr.1 (jan.1986), pp.50-58.

32. Highfill et al., vol.11, p.93.

33. Frederick T. Wood, “Goodman’s Fields” The Modern Language Review, jaargang 2, nr. 4 (okt. 1930), pp.443-56.

Beknopte Bibliografie

  • Adams, Joseph Quincy, Shakespearean Playhouses, 1917, herdruk Gloucester MA: Peter Smith, 1960.
  • see: www.gutenberg.org/files/22397/22397-h/22397-h.htm#FNanchor_429_429
  • Cibber, Colley, An Apology for the Life of Mr. Colley Cibber written by Himself, red. Robert W. Lowe, 2 banden, Londen: John C. Nimmo, 1889. band 1 band 2
  • Colman’s Opera Register, transcriptie, Stanford University. See: www.stanford.edu/~ichriss/HRD/1712%20Colman%20Opera%20Register.htm
  • Downes, John, Roscius Anglicanus, red. Judith Milhous en Robert D. Hume, Londen: Society for Theatre Research, 1987.
  • Downes, John, Roscius Anglicanus, red. Montague Summers, Londen: The Fortune Press, 1928. link
  • Fitzgerald, Percy, A New History of the English Stage, 2 banden, Londen: Gebr.Tinsley, 1882. band 1 band 2
  • Freehafer, John, “Brome, Suckling, and Davenant’s Theatre Project of 1639”, Texas Studies in Literature and Language, jaargang 10, nr. 3 (1928, Fall), pp.367-83. (on-line beschikbaar via ProQuest).
  • Highfill Jr, Philip H. et al A Biographical Dictionary of Actors, Actresses, Musicians, Dancers, Managers & other Stage Personnel in Londen, 1660-1800, 16 banden, Carbondale: Southern Illinois U.P., 1973-1993. Link naar: catalogus
  • Hotson, Leslie The Commonwealth and Restoration Stage, Cambridge MA: Harvard U.P., 1928. link
  • Milhous, Judith, Thomas Betterton and the Management of Lincoln’s Inn Fields 1695-1708, Carbondale: Southern Illinois U.P., 1979.
  • Milhous, Judith, en Robert D.Hume, “The Silencing of Drury Lane in 1709”, Theatre Journal, jaargang 32, nr. 4 (1980) pp.427-47.
  • Milhous, Judith, en Robert D. Hume, “The Charter for the Royal Academy of Music”, Music & Letters, jaargang 67, nr.1 (jan.1986), pp.50-58.
  • Milhous, Judith, en Robert D. Hume, red. A Register of English Theatrical Documents, 1660-1737, 2 banden, Carbondale: Southern Illinois U.P., 1991.
  • Milhous, Judith, en Robert D. Hume, The London Stage, deel 2, band 1, Seizoen 1700-01. See: www.personal.psu.edu/hb1/London%20Stage%202001/lond1700.pdf
  • Wood, Frederick T. “Goodman’s Fields”, The Modern Language Review, jaargang 24, no. 4, (okt. 1930), pp.443-456.